Mijn ultradebuut: 6-urenloop van Aalter

Bij doorkomst in de sporthal enthousiast zwaaien naar supporters

Twee weken geleden liep ik de 6-urenloop in Aalter. Jawel. U leest het goed. 6 uren lopen. Aan één stuk. Rondjes van 2 km. De gemiddelde mens aan wie ik dat vertel reageert ongeveer zo :  ”Aan één stuk?  Waarom in godsnaam?”. Of “je gaat zot draaien van die rondjes”. Of nog ”is dat niet wat overdreven?”.  En ja, had je mij vijf jaar geleden gevraagd om 6 u te lopen, dan had ik waarschijnlijk gedacht “op uw hoofd gevallen en tien keer blijven botsen, dat doe ik mooi niet”. Maar na 10 marathons en bijna dubbel zoveel halve wil een mens al eens iets meer. In snelheid moet ik m’n uitdaging niet zoeken, dan geraak ik geblesseerd, maar in afstand…. lukt het wel. En dus besloot ik begin dit jaar tot een revanchke op de dodentocht, die ik in 2008 na 71km heb moeten opgeven wegens dwarsliggende achillespezen. Dit jaar, op 10/08/2012,  sta ik opnieuw aan de start en moet het beter. Jawel.

Met zo’n doel als de dodentocht voor ogen moet er serieus getraind worden en dan was de 6-urenloop in Aalter, ideaal. Perfect qua timing voor de dodentocht en bovendien ook georganiseerd door een mij reeds bekende loopclub. Het leek beslist. De laatste twijfel werd de kop ingedrukt door de reactie van loopmaatje Nico: “ge zijt zot”. Ideaal! Pas wanneer iemand zegt dat ik iets niét ga kunnen, wordt het écht leuk om het net wél te gaan doen.  En zo was een nieuw doel geboren. Terwijl Koning Albert zijn speech zou geven, Leterme hopelijk de Brabançonne zou zingen in plaats van de Marseillaise en iedereen zou vluchten voor de “drash national”, zou ondergetekende rondjes van 2km lopen in Aalter. En dat 6 uren lang.

Wat volgde waren weken, maanden van intensief trainen. Duurloopjes in het weekend werden langzaam maar zeker opgebouwd van 20km naar 25km tot ruim 30km en meer. Interval-trainingen op de spinningfiets werden ingelast en ook het zwembad werd vaker bezocht. Als kers op de voorbereidingstaart werd de Marathon van Rijkevorsel gelopen (daarover meer in een volgend bericht) en dan moesten lijf en leden er maar klaar voor zijn.

Dat zou je denken hé. Dat je er dan klaar voor bent. En toch….  daar sta je dan. Als ultra-groentje én vrouw tussen een ultra-ervaren en overwegend mannelijk publiek. Een publiek dat enthousiast vertelt over eerdere 6-urenlopen. Of nog erger: 12 uren lopen en 100km wedstrijden die met groot succes werden afgerond, terwijl de enige ervaring die ik kon oproepen  een niet-uitgelopen dodentocht was. Een publiek dat bovendien geroutineerd tafeltjes langs het parcours had klaarstaan, waarnaast een familielid netjes ronde per ronde de vooraf bepaalde bevoorrading zou klaarzetten. Ik zag mensen met hele lijstjes: “ronde 1: isostar… ronde 2: banaan …”. Sommige tafeltjes hadden veel weg van een mini-supermarkt. En daar sta je dan, met “enkel” je banaan, 2 isostarrepen en 2 flesjes cola … zonder tafeltje…  Tien minuten voor de start voelde ik me nog geen halve meter groot en wilde ik het liefst van al onder de grond verdwijnen. Het enige wat ik dacht: “over zes uur en tien minuten is ‘t hier gelukkig gedaan”. Een waarlijk schoon begin….

Ervaren ultralopers installeerden zich met tafeltjes voor bevoorrading….

Maar niet getreurd. Voor alles is een oplossing: ik plaatste netjes mijn banaan, isostarrepen en cola in de koffer van mijn auto die langs het parcours stond en zo had ik ook mijn persoonlijke lunchgarden op de parking in Aalter. En gij nu!  Vervolgens de bedenking gemaakt dat ook al die oude rotten in het vak ooit eens hun eerste ultra moeten gelopen hebben en als zij dat konden, mij dat ook wel moet lukken. Tot slot mezelf vermanend toegesproken met de mededeling dat ik moest stoppen met trunten en er gewoon voor moest gaan. Voila.

Borstnummertje opgespeld. Chip aan de schoen gebonden. T-shirt in ontvangst genomen. Nog wat gebabbeld met bekenden. En wachten op de start. Op de website stond dat er vooraf al één rondje zou gelopen worden als verkenning. Ammehoela!  Dat leek me vrij belachelijk: me dunkt dat je op 6u tijd wel voldoende tijd zou hebben om de weg te vinden op dat rondje. Gelukkig dachten de andere lopers er net zo over. Geen kat die eraan dacht al op voorhand energie te gaan verspillen om het parcours te verkennen. Geen levende ziel die zich geroepen voelde om dat rondje ook maar één keer teveel te lopen. Oef! Zijn we daar toch al aan ontsnapt!

Eindelijk was het dan zover. Toch ruim 90 deelnemers aan de start. Twee handjesvol vrouwen, de rest mannen. “Allez, der zijn dus toch nog zoveel zotten als ik”, dacht ik toen. Nog eventjes babbelen links en rechts en dan vertrokken we op de piste. Sommigen schoten weg. Anderen vormden meteen groepjes en zochten hun tempo. Ik startte opzettelijk heel erg achteraan, om niet te snel te starten. Traag lopen en lang volhouden leek me veel beter dan snel lopen, crashen na 4 u en dan nog 2u te moeten strompelen.

Klaar voor de start!

De eerste rondjes was het aftasten. Ik bleef braafjes achteraan lopen, in de buurt van Veerle, die als BK 100km toch als heel ervaren kan worden beschouwd, haar man Philippe en Valerie. “Zeker niet te snel starten” was het enige wat door m’n hooft spookte. Het was bang afwachten hoe m’n geest zou reageren op de rondjes. Ik, die meestal omval van verveling als ik ook maar twee keer dezelfde boomstronk tegenkom, zou nu hopelijk meer dan 25 identieke rondjes moeten lopen. Wat zou dat geven? Gelukkig viel dat mee. Een heel leuk parcours, heel gevarieerd, met stukjes piste, stukjes baan en zelfs een deel door de sporthal. Het venijnige hellingetje dat erin zat en dat door collega-loper Dirk omgedoopt werd tot de “col de la piscine” maar naarmate de wedstrijd vorderde meer weg had van de Anapurna  vergeet ik voor m’n eigen bestwil even. Je zag constant andere lopers voor en achter je. Je dubbelde. Je werd gedubbeld. En zo had je altijd iemand om mee te babbelen. Heel leuk. Ook de bevoorrading was super geregeld. Elke ronde ruime keuze uit water, muntwater, cola en sportdrank; noten, abrikozen, bananen en nog wat. Ha! Wie heeft er nu al die mini-supermarktjes nodig als je zo’n bevoorrading hebt? Ik voelde me al heel wat gelukkiger met mijn beknopte lunchgarden op de parking. Een dikke pluim voor de organisatie!

De vriendelijke dames van de bevoorrading, altijd tot ons dienst.

Na enkele rondjes groeide het vertrouwen. De beentjes zaten goed. Het koppie ook. Waar we na een kwartier zeiden “we hebben al 1/24e gedaan”, werd dat na een halfuur al 1/12e. Een mentale opsteker zowaar ;-) .  Zotte dingen ging ik niet doen, maar een gemiddelde van 10km/u leek vlot haalbaar en dus verliet ik m’n groepje medelopers en begon m’n eigen tempo te lopen. Rondje na rondje. De kilometers vlogen onder m’n voeten door en voor ik er erg in had, waren we al 2u ver. Luid toegejuicht ondertussen door Maarten, Leen en Daryen. Leuk, zo’n supporters! Onderweg keuvelen met andere lopers, zo ontmoette ik o.a. Paul voor wie het ook z’n eerste ultra was, en duim opsteken naar collega-lopers. Geweldig ook, die solidariteit tussen de deelnemers. Heel leuk. Ik genoot. Ik had het gehoopt. Gewenst. Maar niet durven dromen. En toch: ik vond het leuk.

Onderweg toch nog tijd om gekke bekken te trekken naar de fotograaf

Na een drietal uurtjes en ongeveer 32km kreeg ik het toch even lastig. De eerste groep supporters was naar huis teruggekeerd en het werd even stiller. Tja, het waren dan ook luidruchtige supporters die zelfs niet verlegen zaten om een dansje in ware cheerleaderstijl – waarvoor dank. De “we zitten al halfweg” euforie die me tot wat gekkebekkentrekkerij aanmaande voor de fotografen had al snel plaats gemaakt voor het keiharde besef dat het nog eens drie uur was. Dat leek plots wel lang. Drie uur. Dat is net iets minder dan een héle marathon. Slik. Dus even een mentaal dipje. Net op dat moment gooide Philippe de handdoek in de ring en bespeurde ik bij anderen ook een tanend enthousiasme, waardoor het hele gebeuren plots meer weghad van een processie van Echternach dan een zesurenloop. Gelukkig herinnerde ik me in een helder moment :  ”think small”. Kleine doelen vooropstellen. Geen grote. Niet denken aan de drie uur die nog komen. Denk aan een volgend tussendoel. Iets dat bereikbaar lijkt. En dat was simpel: de marathonafstand. Dat ik die kon halen, dat wist ik, ik had het twee weken eerder nog gedaan. En 10km om dat te halen, dat leek overzichtelijk. Een uurtje, meer niet. En zo waren we weer vertrokken. Vol goede moed. Of hoe je je brein kan bedriegen!

En tegen dat dat brein het truukje doorhad waren de volgende supporters al op post waardoor het geen kans kreeg opnieuw kuren te krijgen. M’n tante en nonkel kwamen me  luid toejuichen – leuk! Terwijl ik verder rondje na rondje verder afhaspelde – ik zat ondertussen aan km 44 -  kregen zij uitgebreid uitleg van Joerie over de cijfertjes op de computer en had ik elk rondje weer iets om naar uit te kijken. De tijd vloog plots voorbij. Vloog zodanig snel voorbij dat ik plots ook Maarten en m’n mama zag staan en dat – beste lezertjes – was een héél goed teken: the end was near!  Ik wist immers dat zij pas rond 14u30 zouden komen, en dan was het “maar” anderhalf uur lopen meer. Eitje!

Eitje?  Tja, als ik heel eerlijk ben heb ik die 6 uren met “relatief” gemak gelopen. Ik startte voorzichtig, in volle overtuiging dat het schip na een uur of 4 zou stranden en het gestrompel zou beginnen. Dat mijn loopstijl uiteindelijk deze van de gemiddelde 102-jarige zou benaderen (met alle respect voor 102-jarigen, don’t get me wrong) en Maarten me naar huis zou moeten dragen. Dat ik horendol zou draaien van al die rondjes. Maar niets van dat alles. Het schip strandde niet. Niet na ronde 15. NIet na ronde 20. Niet na ronde 25. En nadien liet ik het al helemaal niet meer gebeuren. Ik wist dat ik het ging halen: 6 uren lopen! Woehoe!

Let wel: ik zei “met relatief gemak” gelopen. Het ging dus niet vanzelf. Heb ik afgezien? Ja. Heb ik soms zin gehad om te stoppen? Ja. Heb ik mezelf soms afgevraagd waar ik mee bezig was? Zeer zeker. Zeker het laatste kwartier was er gewoon mentaal teveel aan. Je wéét dat het einde in zicht is en je wil stoppen. Had ik 7u moeten lopen had ik nog kunnen doorlopen, maar als je weet dat je bijna mag stoppen, is elke meter een beetje teveel. Gelukkig waren mama en Maarten er om te zeggen “nu niet stappen, blijven lopen”, want het zou wel heel erg jammer geweest zijn om dat laatste kwartier nog te stappen.

De garmin geeft 61,3 km aan

Eén minuut voor vier ging het fluitje: “nog één minuut”. Ik was aan m’n dertigste ronde bezig. Zou ik de sporthal halen, dan zou ik officieel aan 60km geraken, maar een sprintje zat er toch algelijk niet meer (zot!)  in en ik strandde zo om 16u bij het fluitsignaal OP de col de la piscine. Symbolisch!  Doodmoe maar heel gelukkig. De Garmin gaf ruim 61,3 km aan. Officieel werd – na zeer professionele aanduiding met een krijtje op het asfalt – 59,5 km gemeten. Maakt mij niet uit. Ik heb het gehaald. Dat is wat telt. Een ongelofelijke ervaring. Een ervaring die naar meer doet smaken. Een ervaring die vertrouwen geeft voor de dodentocht. We zullen zien… volgende week….

Met dank aan alle supporters die speciaal naar Aalter zijn afgezakt. Een dikke pluim voor de organisatie. En tot slot, maar zeker niet in het minst, een dikke proficiat aan alle collega-lopers van de 6-urenloop!

En voor wie helemaal into statistiekjes is hieronder nog de tempo’s per ronde van 2km. Van vlak lopen is helemaal geen sprake. Een ietwat mislukte poging om traag te starten, tijdens km 34 werd ik waarschijnlijk achterna gezeten door een wolf (of hield er iemand een stuk chocolade voor m’n neus) en tegen ‘t einde was ‘t vet toch van de soep precies….

Tempo per ronde

 

Geef een reactie